Ze was sterk als een olifant, een baken in het leven van haar zoon. Betrokken en zorgzaam, dingen werden uitgesproken, ook als ze confronterend waren. Tot het laatst toe.
Maar ze was ook alleen, miste haar familie die ver weg woonde, was ontheemd geraakt. Geen partner meer, alleen met haar zoon en een enkele vriendin.
Een half jaar later ligt ze in bed, koffiedrinkend met de vrijwilligsters van de Zonnebloem. Ze heeft uitgezien naar de vakantie, er naar toe geleefd. Haar eerst zo smalle gezicht is opgezet en verouderd. Maar nog steeds dat verzorgde haar en die rode mond. Waardig tot het einde. Bijna tot het eind.
Nog geen week later geeft haar lichaam het op. Morfine die de helse pijnen moet onderdrukken en haar wegduwt in een onrustige slaap. Niet bewust van haar zoon die bij haar waakt. Schreeuwend tot God, moet ik nog langer leven. Hoe lang nog.
De volgende morgen schreeuwt ze het ook uit tegen hem. En dan: sorry, ik bedoelde het niet zo. Nog een halve dag later slaapt ze in. Een jaar na de diagnose.

In de maanden die volgden hielp hij ’s nachts zijn moeder op het toilet. Bleef hij uit school thuis om haar de drie maanden die ze nog had, geen minuut te missen.

De naargeestige kelder van het ziekenhuis waar ze bestraald werd ademde de geur van de dood. Hij kon het niet meer opbrengen steeds mee te gaan en bleef thuis. Maar in zijn hoofd echoden haar woorden: “Ik vind het zo fijn als je meegaat.”
Ze haalde kerst en kwam toch in dat tehuis. Ze haalde zijn verjaardag in februari.

Hij heeft het volgehouden, bijna tot het eind. Wakend bij haar door morfine getergde dromen, haar wanhopige schreeuwen. Veertien jaar oud.
foto's Sennen + beeldje: Rob Timmerman
http://www.timmermanfotografie.nl/